Skip to content

Conjugate aarzelen

Every form of the Dutch verb aarzelen — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.

aarzelen

regularauxiliary: hebbenparticiple: geaarzeld
 Presenttegenwoordige tijdSimple pastverleden tijdPerfectvoltooid tegenw. tijd
ikaarzelaarzeldeheb geaarzeld
jij / jeaarzeltaarzeldehebt geaarzeld
hij / zij / hetaarzeltaarzeldeheeft geaarzeld
wij / weaarzelenaarzeldenhebben geaarzeld
jullieaarzelenaarzeldenhebben geaarzeld
zij (mv)aarzelenaarzeldenhebben geaarzeld

Imperative (gebiedende wijs): aarzel!

About this verb

What is the past tense of "aarzelen"?

The simple past of aarzelen is "aarzelde" (singular) and "aarzelden" (plural). The past participle is "geaarzeld", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.

Is "aarzelen" a regular or irregular Dutch verb?

aarzelen is a regular (weak) verb — it follows the standard stem + -te/-de and ge-…-t/d pattern.

Master every verb in context.

Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.