Every form of the Dutch verb bewijzen — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | bewijs | bewees | heb bewezen |
| jij / je | bewijst | bewees | hebt bewezen |
| hij / zij / het | bewijst | bewees | heeft bewezen |
| wij / we | bewijzen | bewezen | hebben bewezen |
| jullie | bewijzen | bewezen | hebben bewezen |
| zij (mv) | bewijzen | bewezen | hebben bewezen |
Imperative (gebiedende wijs): bewijs!
The simple past of bewijzen is "bewees" (singular) and "bewezen" (plural). The past participle is "bewezen", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.
bewijzen is an irregular (strong) verb — its past and participle change the vowel, so they are memorised.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.