Skip to content

Conjugate bijten

Every form of the Dutch verb bijten — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.

bijten

— to bite
irregularauxiliary: hebbenparticiple: gebeten
 Presenttegenwoordige tijdSimple pastverleden tijdPerfectvoltooid tegenw. tijd
ikbijtbeetheb gebeten
jij / jebijtbeethebt gebeten
hij / zij / hetbijtbeetheeft gebeten
wij / webijtenbetenhebben gebeten
julliebijtenbetenhebben gebeten
zij (mv)bijtenbetenhebben gebeten

Imperative (gebiedende wijs): bijt!

About this verb

What is the past tense of "bijten"?

The simple past of bijten is "beet" (singular) and "beten" (plural). The past participle is "gebeten", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.

Is "bijten" a regular or irregular Dutch verb?

bijten is an irregular (strong) verb — its past and participle change the vowel, so they are memorised.

Master every verb in context.

Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.