Every form of the Dutch verb geven — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | geef | gaf | heb gegeven |
| jij / je | geeft | gaf | hebt gegeven |
| hij / zij / het | geeft | gaf | heeft gegeven |
| wij / we | geven | gaven | hebben gegeven |
| jullie | geven | gaven | hebben gegeven |
| zij (mv) | geven | gaven | hebben gegeven |
Imperative (gebiedende wijs): geef!
The simple past of geven is "gaf" (singular) and "gaven" (plural). The past participle is "gegeven", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.
geven is an irregular (strong) verb — its past and participle change the vowel, so they are memorised.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.