Every form of the Dutch verb krijgen — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | krijg | kreeg | heb gekregen |
| jij / je | krijgt | kreeg | hebt gekregen |
| hij / zij / het | krijgt | kreeg | heeft gekregen |
| wij / we | krijgen | kregen | hebben gekregen |
| jullie | krijgen | kregen | hebben gekregen |
| zij (mv) | krijgen | kregen | hebben gekregen |
Imperative (gebiedende wijs): krijg!
The simple past of krijgen is "kreeg" (singular) and "kregen" (plural). The past participle is "gekregen", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.
krijgen is an irregular (strong) verb — its past and participle change the vowel, so they are memorised.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.