Every form of the Dutch verb laten — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | laat | liet | heb gelaten |
| jij / je | laat | liet | hebt gelaten |
| hij / zij / het | laat | liet | heeft gelaten |
| wij / we | laten | lieten | hebben gelaten |
| jullie | laten | lieten | hebben gelaten |
| zij (mv) | laten | lieten | hebben gelaten |
Imperative (gebiedende wijs): laat!
The simple past of laten is "liet" (singular) and "lieten" (plural). The past participle is "gelaten", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.
laten is an irregular (strong) verb — its past and participle change the vowel, so they are memorised.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.