Every form of the Dutch verb lijden — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | lijd | leed | heb geleden |
| jij / je | lijdt | leed | hebt geleden |
| hij / zij / het | lijdt | leed | heeft geleden |
| wij / we | lijden | leden | hebben geleden |
| jullie | lijden | leden | hebben geleden |
| zij (mv) | lijden | leden | hebben geleden |
Imperative (gebiedende wijs): lijd!
The simple past of lijden is "leed" (singular) and "leden" (plural). The past participle is "geleden", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.
lijden is an irregular (strong) verb — its past and participle change the vowel, so they are memorised.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.