Every form of the Dutch verb rekenen — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | reken | rekende | heb gerekend |
| jij / je | rekent | rekende | hebt gerekend |
| hij / zij / het | rekent | rekende | heeft gerekend |
| wij / we | rekenen | rekenden | hebben gerekend |
| jullie | rekenen | rekenden | hebben gerekend |
| zij (mv) | rekenen | rekenden | hebben gerekend |
Imperative (gebiedende wijs): reken!
The simple past of rekenen is "rekende" (singular) and "rekenden" (plural). The past participle is "gerekend", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.
rekenen is a regular (weak) verb — it follows the standard stem + -te/-de and ge-…-t/d pattern.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.