Every form of the Dutch verb spelen — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | speel | speelde | heb gespeeld |
| jij / je | speelt | speelde | hebt gespeeld |
| hij / zij / het | speelt | speelde | heeft gespeeld |
| wij / we | spelen | speelden | hebben gespeeld |
| jullie | spelen | speelden | hebben gespeeld |
| zij (mv) | spelen | speelden | hebben gespeeld |
Imperative (gebiedende wijs): speel!
The simple past of spelen is "speelde" (singular) and "speelden" (plural). The past participle is "gespeeld", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.
spelen is a regular (weak) verb — it follows the standard stem + -te/-de and ge-…-t/d pattern.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.