Every form of the Dutch verb spreken — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | spreek | sprak | heb gesproken |
| jij / je | spreekt | sprak | hebt gesproken |
| hij / zij / het | spreekt | sprak | heeft gesproken |
| wij / we | spreken | spraken | hebben gesproken |
| jullie | spreken | spraken | hebben gesproken |
| zij (mv) | spreken | spraken | hebben gesproken |
Imperative (gebiedende wijs): spreek!
The simple past of spreken is "sprak" (singular) and "spraken" (plural). The past participle is "gesproken", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.
spreken is an irregular (strong) verb — its past and participle change the vowel, so they are memorised.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.