Every form of the Dutch verb vragen — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | vraag | vroeg | heb gevraagd |
| jij / je | vraagt | vroeg | hebt gevraagd |
| hij / zij / het | vraagt | vroeg | heeft gevraagd |
| wij / we | vragen | vroegen | hebben gevraagd |
| jullie | vragen | vroegen | hebben gevraagd |
| zij (mv) | vragen | vroegen | hebben gevraagd |
Imperative (gebiedende wijs): vraag!
The simple past of vragen is "vroeg" (singular) and "vroegen" (plural). The past participle is "gevraagd", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.
vragen is an irregular (strong) verb — its past and participle change the vowel, so they are memorised.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.