Every form of the Dutch verb worden — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | word | werd | ben geworden |
| jij / je | wordt | werd | bent geworden |
| hij / zij / het | wordt | werd | is geworden |
| wij / we | worden | werden | zijn geworden |
| jullie | worden | werden | zijn geworden |
| zij (mv) | worden | werden | zijn geworden |
Imperative (gebiedende wijs): word!
The simple past of worden is "werd" (singular) and "werden" (plural). The past participle is "geworden", used with the auxiliary zijn in the perfect tense.
worden is an irregular (strong) verb — its past and participle change the vowel, so they are memorised.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.