Every form of the Dutch verb zenden — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | zend | zond | heb gezonden |
| jij / je | zendt | zond | hebt gezonden |
| hij / zij / het | zendt | zond | heeft gezonden |
| wij / we | zenden | zonden | hebben gezonden |
| jullie | zenden | zonden | hebben gezonden |
| zij (mv) | zenden | zonden | hebben gezonden |
Imperative (gebiedende wijs): zend!
The simple past of zenden is "zond" (singular) and "zonden" (plural). The past participle is "gezonden", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.
zenden is an irregular (strong) verb — its past and participle change the vowel, so they are memorised.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.