Every form of the Dutch verb zitten — present, past and perfect — with the participle and auxiliary.
| Presenttegenwoordige tijd | Simple pastverleden tijd | Perfectvoltooid tegenw. tijd | |
|---|---|---|---|
| ik | zit | zat | heb gezeten |
| jij / je | zit | zat | hebt gezeten |
| hij / zij / het | zit | zat | heeft gezeten |
| wij / we | zitten | zaten | hebben gezeten |
| jullie | zitten | zaten | hebben gezeten |
| zij (mv) | zitten | zaten | hebben gezeten |
Imperative (gebiedende wijs): zit!
The simple past of zitten is "zat" (singular) and "zaten" (plural). The past participle is "gezeten", used with the auxiliary hebben in the perfect tense.
zitten is an irregular (strong) verb — its past and participle change the vowel, so they are memorised.
Practise Dutch verbs in real A2 writing and speaking tasks, AI-graded, alongside all five DUO exam sections.